Terug in de tijd, ergens diep in de 20e eeuw, heb ik Werktuigbouwkunde gestudeerd. Om preciezer te zijn: Werkplaatstechniek. Om nog preciezer te zijn: Technologie van de Serie- en Massafabricage. En mijn prof vond het heerlijk om op zijn manier het verschil tussen techniek en technologie uit te leggen. Techniek, zo sprak hij dan, gaat over de know how en technologie over de know why. Overbodig te verklaren dat er een zware ondertoon in zat van de verhevenheid van technologie boven techniek. Als je weet waarom je iets juist op die manier moet doen om het beoogde resultaat te bereiken, dan weet je ook of je al dan niet zinvol bezig bent.

Vandaag de dag begint er in het continu verbeteren ook zo’n vorm van onderscheid te komen. De know how hebben wij in de jaren negentig geïmporteerd uit Japan. Aan hún know why hadden wij nog geen behoefte, omdat ónze know why toen duidelijk was: kostenreductie. Inmiddels zijn er in ons deel van de wereld vele bedrijven die continu verbeteren in hun DNA hebben opgenomen. Het aantal organisaties dat echter in de fase van de pilot blijft hangen en om de paar jaar weer opnieuw moet beginnen is echter ook aanzienlijk. Hoe komt dat toch?

Dat komt omdat wij de echte know why van ons werk nog niet begrepen hebben. In de boeddhistische filosofie is arbeid een heel belangrijk zingevend element in het leven van mensen. Het is een voertuig van identiteit en zelfontwikkeling. Wie ben ik en wat beteken ik voor anderen? Daar speelt je werk een rol in. Natuurlijk blijft geld verdienen belangrijk. Je kunt niet van anderen verwachten dat ze jouw groei financieren, zonder dat het hun iets oplevert. En werknemers hoeven ook niet allemaal door te groeien tot werkgevers. Maar doorgroeien tot zingever, dat misstaat toch niemand?

Eef Oom