Piet Moerman, emeritus hoogleraar aan de Erasmus Universiteit, neemt ons in dit artikel mee in de wereld van de industrie en de economie. Zijn leerstoel was “Industriële Economie en Productievraagstukken”. Wij hebben hier te maken met een kenner! In ‘Industriebeleid: zorg voor je huis op orde‘ zal hij aandacht besteden aan de consequenties die dit voor het Nederlands Industriebeleid zou moeten hebben.

Deze reclameslogan voor een bekend biermerk gaf precies aan waar het bij een maakproces om draait. Deze reclame verwijst naar de oude gildestructuur (meester/gezel/leerling) waarin dat vakmanschap gestalte kreeg. Helaas kregen maakactiviteiten in de laatste decennia een slechte reputatie. Er is een groot verschil tussen de overall van de operator aan de C.N.C. draaibank en het mooie jasje van de bankbediende.
De maatschappij kreeg naast het afgenomen imago van een fabrieksarbeider ook te maken met de invloed van informatisering en automatisering. Ik heb die mentaliteitsverandering duidelijk gezien in mijn laatste jaren bij Philips. Er werden allerlei onzin verhalen verteld over de Fabriek Nieuwe Stijl. In Duitsland noemt men dat ‘Geister-fabriken’. De onbemande fabriek kwam eraan. Achter de schermen was echter de fabricagevoorbereiding vele malen groter geworden, maar dat kwam in het verhaal niet voor.

In de jaren ’70 ging de introductie van ‘banking’ en hoogwaardige dienstverlening vooral in de Angelsaksische landen in de hoogste versnelling. Tegelijk begonnen de modekreten ‘offshoren’ en ‘outsourcen’ vanuit het M.B.A. circuit de economische wereld te beheersen. Wij zouden in het westen steeds meer in de lichtvoetige, hoogwaardige dienstverlening treden. Het vervelende maakwerk kon wel in het Verre Oosten en Oost Europa plaatsvinden. De opvattingen over dienstverlening leenden zich gemakkelijk voor malversatie en oplichterij, omdat de combinatie van computer en ondoorzichtige software een ideale omgeving is voor vals spel. Dit hebben we onlangs kunnen zien bij de bankdeconfitures. Dit wisten we en nu zitten we op de blaren.

Nederland heeft behoefte aan een duidelijke industriële structuur. Hierin vormen jobbers, toeleveranciers met groeipotentie, hoogwaardige kleine nicheproducenten en grote technologiedragers een evenwichtige piramide.

Uitwerking

Na de Tweede Wereldoorlog toonde de industrie een versnelde groei. Aan veel goederen was gebrek en dat vormde mede een basis voor een gunstig industrieel klimaat. Door het toen nog relatief arbeidsintensieve karakter van de industrie konden veel mensen in deze sector aan de slag. In de jaren ’70 werd de industrie geconfronteerd met sterk toegenomen prijzen. Nederland belandde in een opwaartse prijsspiraal. Voor onze exportafhankelijke industrie was dit zeer gevaarlijk. Het gevolg was: veel faillissementen in begin jaren ’80. Niet voor niets riep de commissie Wagner in die tijd op tot drastische maatregelen. Mede door de kostenbeheersende politiek kon men op eigen kracht in de jaren ’80 sterk herstellen. Het is in principe nog steeds onvermijdelijk om in te spelen op de komende ingrijpende ontwikkelingen. Die hebben twee facetten: een technologische en een culturele. De eerste heeft te maken met de snelle opmars van miniaturisering. De tweede met het verschil in opvatting over productiewijzen in andere landen. Het is pure noodzaak dat de industrie goed op deze ontwikkelingen inspeelt. Het belang van industriële activiteiten kan nog meer worden geaccentueerd als wordt gekeken naar de intrinsieke betekenis ervan. Deze is samen te vatten in drie trefwoorden: kennis, kunde, creativiteit. Immers, in het maakproces komen het doorgronden van oorzaken van processen (kennis) en de mogelijkheden om op bepaalde specialistische gebieden processen te beheersen (kunde) en de toepassing van ambachtelijk vakmanschap (creativiteit) bij elkaar. Als dus gesproken wordt over industriebeleid, wordt eigenlijk bedoeld dat een economische entiteit de genoemde drie elementen een bepaalde werking moet geven die leidt tot beter en doelgericht functioneren.

Samenhangend industriebeleid impliceert in bovenstaande context dat alle factoren moeten komen tot een gezamenlijke keuze over:

  • welk productpakket?
  • gemaakt door welke processen?
  • moet worden afgezet op welke markten?
  • ondersteund door welke of nog te ontwikkelen technologieën?

Hierbij staan de begrippen ‘spin-off’, ‘keteneffecten’ en ‘resource-allocation’ op de voorgrond.

Ik onderken drie probleemvelden.

1.   Moet, kan en wil onze maatschappij c.q. bedrijfsleven c.q. industrie de omslag maken van een Angelsaksische naar een Rijnlandse mentaliteit? Met andere woorden, kijkt men alleen naar de financiële factoren of ook naar de inbedding en verankering?

2.   Moet, kan en wil onze maatschappij c.q. bedrijfsleven c.q. industrie zich voegen naar de vigerende Europese/mondiale realiteit op techno/economisch, sociaal, cultureel en politiek terrein?

3.   Moet Nederland industrieel/zelfscheppend presteren op een zo breed mogelijk vlak?
• Kan Nederland die prestatie volbrengen, gegeven onze nationale mentaliteit en ons potentieel?
• Wil Nederland die prestatie volbrengen, gegeven die mentaliteit en dat potentieel?

Conclusie

Vanaf de ‘middenschool’ van Van Kemenade (in jaren ’70) tot nu toe zien wij een afkalving van het simpele technische kennisniveau met daarnaast een dramatische verlaging van vakken als wiskunde en de Nederlandse taal. De voorstanders van de high tech mythe in de afgelopen decennia beweerden dat low tech thuis hoorde in de lagelonenlanden, zoals Oost-Europa, Zuid Oost Azië en B.R.I.C (Brazilië, Rusland, India en China) landen. Zij vergaten dat high of low tech betrekking kan hebben op zowel de processen als wel op de producten. Een zogenaamd high tech product kan heel goed zijn geproduceerd op een relatief low tech wijze.
Een voorbeeld: de opkomst van Computer Integrated Manufacturing (CIM) en robotisering vond plaats eind jaren ’70, begin jaren ’80. In de USA, altijd technocentrisch gericht, dachten de autofabrikanten dat robotisering en CIM de maakprocessen van de auto van het kwaliteitsprobleem zouden verlossen. Wat bleek? In Japan had de automotive industrie ook geautomatiseerd, maar met mate! Men had op logistiek organisatieniveau en op productie organisatieniveau gestreefd naar vereenvoudiging in de procesgang. Dit leverde in eerste instantie Kanban, Just-in-time, en later Lean Production op. Essentie was, zoals R.J. Schönberger schreef in zijn boek ‘Japanese manufacturing techniques, nine hidden lessons in simplicity’ (The free Press, 1982) eenvoud, transparantie en simple tech. Onze grootouders wisten het al: ‘Eenvoud is het kenmerk van het ware’.

Even ter adstructie. Het systeem bij Toyota, ontwikkeld door Eiji Toyoda en Taiichi Ohno (belast met productie), had de volgende kenmerken:

  • werken in teamverband
  • goede interne en externe communicatie
  • efficiënt gebruik van middelen (vooral arbeid!) en eliminatie van afval
  • het streven naar perfectie, in plaats van naar aanvaardbare normen

Lessen voor industriebeleid

De economen Cohen en Zysman zeiden al in de jaren ’80: “You can’t control what you can’t make”. Dat wil zeggen: high, medium en low tech behoren elkaar aan te vullen om de procesgang te completeren en onder controle te houden. Het klassieke vakmanschap (vaak op LTO- en MTO-niveau) is nog steeds hard nodig, ook al bestaan de gilden niet meer. Voor de beleidsverantwoordelijken impliceert dit, dat zij in de bekende innovatie-papers, nota’s en forums terug zullen moeten naar een herwaardering van het klassieke vakmanschap. Het VMBO is duidelijk geen oplossing en nu al een dead end.
Er is niets mis met de klassieke bedrijfsschool en de klassieke ambachtsschool. Maar dit alles betekent wel dat – in tegenstelling tot het Angelsaksische, technocentrische marktdenken – een terugkeer nodig is naar een wat meer continentale stijl van het antropocentrisch denken, ofwel: de mens is de maat der techniek en niet omgekeerd.